Onderstaande review van de tentoonstelling van Gert-Jan Kocken in het Stedelijk Museum Schiedam verscheen afgelopen maand in De Volkskrant.
"Als een “What If..?”, zo laat de tentoonstelling van Gert Jan Kocken in het Stedelijk Museum Schiedam zich het beste lezen. Kocken, dit jaar ook genomineerd voor de Dutch Doc Award, een nieuwe jaarlijkse prijs voor documentaire fotografie, maakte voor het museum prachtige foto-installaties over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, en de impact daarvan op Amsterdam, Rotterdam en Schiedam.
Bij binnenkomst word je als bezoeker meteen flink aan het werk gezet. Aan de wand prijken foto’s van de waterverfschilderijen die Adolf Hitler in 1907 maakte voor zijn toelatingsexamen aan de kunstacademie van Wenen. Onhandige dingetjes, die niet getuigen van heel veel authenticiteit. Sentimenteel en technisch armetierig. Nogal wiedes dat Hitler werd afgewezen. Maar toch, als we toen wisten wat we nu weten, hadden we hem dan het voordeel van de twijfel moeten geven? Wat als Hitler was toegelaten, hoe had de wereld er dan uitgezien?
De vraag is al vaker gesteld, bijvoorbeeld door Eric E. Schmitt in zijn boek “La part de l´autre”. Maar Kocken voegt een spannende, extra dimensie toe, door hem op te werpen in de museumcontext. Had alle verwoesting, zoals in het vervolg van de expositie in beeld gebracht met stadsplattegronden en foto’s van ontploffende atoombommen, voorkomen kunnen worden door een “JA” van de kunstwereld?
Als een soort Hans Haacke van de fotografie, confronteert Kocken de kunstsector met zijn eigen geschiedenis. Haacke, die ook wel “het geweten van de kunstwereld” wordt genoemd, concentreerde zich in de jaren 70 vooral op de sponsoren van grote culturele instellingen. Die hielden in hun dagelijkse werkzaamheden vaak geen rekening met sociale of humanitaire argumenten. Tegelijkertijd toonden ze de buitenwereld een vriendelijk gezicht, door musea te subsidiëren en kunstenaars te sponsoren. Haacke bracht die schandelijke praktijk aan het licht, en bekritiseerde dus expliciet ook het museum dat eraan meewerkte.
Kocken, die de afgelopen jaren bekend werd met beelden van ramplocaties en fotoseries over het iconoclasme, is in zijn werkwijze een stuk minder radicaal. Hij is, anders dan Haacke, niet geïnteresseerd in demystificatie en machtstructuren, maar vooral in de gaten die in de geschiedenis zijn geslagen en de menselijke neiging tot en fascinatie voor (zelf)destructie.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit de foto van de atoombom op Hiroshima. De piloot die verantwoordelijk was voor het afwerpen van de bom, kolonel Paul Tibbets, signeert het plaatje tot op de dag van vandaag met veel plezier. Als een soort filmster voorziet hij de destructie van een krabbel. Hoe je ook je best doet, als mens kun je daar niet bij. Met een zelfde soort verbazing kijk je naar de film die de piloten bij terugkomst te zien kregen op de legerbasis. Een feelgood movie. Met de veelzeggende titel “It’s a pleasure”. Je vraagt je af of we, nu we dankzij Kocken van dat feit op de hoogte zijn, ooit nog onbevangen naar de komedie kunnen kijken. In hoeverre maakt de geschiedenis de film kapot? Kocken legt zijn publiek niet alleen interessante vragen voor, maar gedraagt zich zelf ook als een iconoclast. Hij laat de geschiedenis als een onkruid door de film heen groeien. Langzaam maar zeker wordt het filmbeeld overwoekerd door de oorlog. Wat eens begon als een vrolijke komedie, verandert in je hoofd al snel in een waar gebeurd drama."
4 sterren!
Gert Jan Kocken – Positions
Te zien t/m 29 augustus 2010
Locatie: Stedelijk Museum Schiedam
Openingstijden: dinsdag t/m zondag 10.00-17.00u
www.stedelijkmuseumschiedam.nl
woensdag 11 augustus 2010
zaterdag 10 juli 2010
Onderstaande review van het boek Hier/Here van Frank Halmans verscheen in geredigeerde versie in het nummer van Kunstbeeld dat nu in de winkel ligt.
"Tom van den Berge vat het goed samen in zijn voorwoord van de prachtige monografie over kunstenaar Frank Halmans (Heerlen, 1963): Halmans probeert grip te krijgen op de tijd. Dat zoiets vergeefse moeite is, illustreren de “Sad Machines” (2007), drie wekkers die ons vanaf een planchet met sippe gezichten aanstaren. Halmans, in de jaren 80 opgegroeid in Heerlen, dicht graag menselijke gedachten en gevoelens toe aan zielloze onderwerpen, een stijlfiguur die we met een mooi woord “The Pathetic Fallacy” noemen en die met name in de Romantiek veel werd gebruikt. Vier kleine bedjes liggen te slapen in een groot bed, tafeltjes zoeken beschutting onder een grote tafel en tafellampen worden bewaakt door grote staande lampen. Gevonden materiaal, afgedankt, en in de steek gelaten wordt door Halmans afgestoft, en krijgt in de kunstcontext opnieuw glans. De kunstenaar pleit niet voor een herwaardering van oude materialen, maar probeert met name het verleden vast te houden. Robbert Roos wijst in zijn essay op het nostalgische karakter van Halmans oeuvre:“Nostalgie is een sterke emotie in het oeuvre van Frank Halmans. Zijn werk is ermee doordrenkt, maar niet op een sentimentele manier. Het is eerder een vorm van continu wakker kussen van de magie van het verleden”. Dat verleden betreft meer dan eens het eigen verleden. De sculptuur “De slaapkamers waarin ik nog steeds wakker word” (1996-heden) bijvoorbeeld bestaat uit gestapelde maquettes van de slaapkamers waarin Halmans ooit wakker werd. In zijn hoofd sjouwt de kunstenaar ze eeuwig met zich mee. Net als de reizen en wandelingen die hij maakte. De dode insecten die hij tijdens de tochten vond op vensterbanken, paden en wegen dienen als herinnering. Frank Halmans houdt graag aan de dingen vast. “Tegen beter weten in”. Hij beseft dat alles uiteindelijk verdwijnt, en dus wordt getransformeerd tot stof (in die context moet je ook de stofzuigersculpturen zien, een combinatie van maquettes van huizen en stofzuigers), maar toch zou hij, zoals hij zelf zegt “graag de ultieme methode tot conserveren vinden”. Hier/Here is een mooi begin. De monografie toont een overzicht van wat Halmans de afgelopen vijftien jaar heeft bedacht, en weet met eenvoudig taalgebruik door te dringen tot de kern der dingen. Het houdt de tijd bij elkaar, en herinnert tegelijk aan dat wat is geweest. Een passende vorm voor een kunstenaar wiens oeuvre, zoals Philip Peters duidelijk maakt in zijn essay, gaat over omzien, de herinnering, en “Le temps Perdu”."
"Tom van den Berge vat het goed samen in zijn voorwoord van de prachtige monografie over kunstenaar Frank Halmans (Heerlen, 1963): Halmans probeert grip te krijgen op de tijd. Dat zoiets vergeefse moeite is, illustreren de “Sad Machines” (2007), drie wekkers die ons vanaf een planchet met sippe gezichten aanstaren. Halmans, in de jaren 80 opgegroeid in Heerlen, dicht graag menselijke gedachten en gevoelens toe aan zielloze onderwerpen, een stijlfiguur die we met een mooi woord “The Pathetic Fallacy” noemen en die met name in de Romantiek veel werd gebruikt. Vier kleine bedjes liggen te slapen in een groot bed, tafeltjes zoeken beschutting onder een grote tafel en tafellampen worden bewaakt door grote staande lampen. Gevonden materiaal, afgedankt, en in de steek gelaten wordt door Halmans afgestoft, en krijgt in de kunstcontext opnieuw glans. De kunstenaar pleit niet voor een herwaardering van oude materialen, maar probeert met name het verleden vast te houden. Robbert Roos wijst in zijn essay op het nostalgische karakter van Halmans oeuvre:“Nostalgie is een sterke emotie in het oeuvre van Frank Halmans. Zijn werk is ermee doordrenkt, maar niet op een sentimentele manier. Het is eerder een vorm van continu wakker kussen van de magie van het verleden”. Dat verleden betreft meer dan eens het eigen verleden. De sculptuur “De slaapkamers waarin ik nog steeds wakker word” (1996-heden) bijvoorbeeld bestaat uit gestapelde maquettes van de slaapkamers waarin Halmans ooit wakker werd. In zijn hoofd sjouwt de kunstenaar ze eeuwig met zich mee. Net als de reizen en wandelingen die hij maakte. De dode insecten die hij tijdens de tochten vond op vensterbanken, paden en wegen dienen als herinnering. Frank Halmans houdt graag aan de dingen vast. “Tegen beter weten in”. Hij beseft dat alles uiteindelijk verdwijnt, en dus wordt getransformeerd tot stof (in die context moet je ook de stofzuigersculpturen zien, een combinatie van maquettes van huizen en stofzuigers), maar toch zou hij, zoals hij zelf zegt “graag de ultieme methode tot conserveren vinden”. Hier/Here is een mooi begin. De monografie toont een overzicht van wat Halmans de afgelopen vijftien jaar heeft bedacht, en weet met eenvoudig taalgebruik door te dringen tot de kern der dingen. Het houdt de tijd bij elkaar, en herinnert tegelijk aan dat wat is geweest. Een passende vorm voor een kunstenaar wiens oeuvre, zoals Philip Peters duidelijk maakt in zijn essay, gaat over omzien, de herinnering, en “Le temps Perdu”."
vrijdag 11 december 2009
annie pootoogook
onderstaand artikel over kunstenares Annie Pootoogook was bedoeld voor Reload, maar is nooit gepubliceerd.
“Thank you for your message. Unfortunately Annie is not available for interviews. Should you have any specific questions regarding her work, we would be pleased to address them”. Tot zover dan de poging om de Canadese Inuit kunstenaar Annie Pootoogook via een Q en A te interviewen over haar prachtige
tekeningen waarin ze de native cultuur in beeld brengt. Pootoogook, in 1969 geboren en nog altijd woonachtig in Cape Dorset – wat wel The Capital of Inuit Art wordt genoemd- , een nederzetting op een van de Arctische eilanden in het uiterste noorden van Canada, maakt de laatste jaren snel furore als kunstenaar. Niet alleen in Canada, maar ook in Amerika en Europa, waar ze in 2007 bijvoorbeeld schitterde op de Documenta XII in Kassel (Duitsland). De kunstenares heeft het tekentalent bepaald niet van een vreemde. Haar moeder Napachie is in Canada een gerespecteerd grafisch kunstenaar, vader is beeldhouwer, en overgrootmoeder Pitseolak Ashoona was een van de eersten die experimenteerde met het medium tekenen. Net als moeder en grootmoeder, is Annie een chroniqueur van het dagelijks leven. Ze tekent op wat ze ziet. Maar terwijl haar familie zich beperkt tot traditionele Inuit onderwerpen als het gezamenlijk eten of het bewerken van zeehonden huiden, gaat Annie een stap verder. Ze laat zien dat het beeld dat wij in het Westen van de Inuit (letterlijk vertaalt: de Mens) hebben, dat van een vreedzaam volk dat leeft in harmonie met de natuur en weinig mee krijgt van de drukke buitenwereld, behoorlijk achterhaald is. De Inuit heeft zijn nomadenbestaan al lang ingeruild voor een vaste woning. Hij is niet meer afhankelijk van de seizoensgebonden visvangst en jacht, maar werkt bijvoorbeeld in de fabriek of de winkel. In Pootoogooks tekeningen zie je hoe kinderen spelletjes spelen op de Super Nintendo of kijken naar een aflevering van Scooby Doo, terwijl volwassenen de oorlog in Irak op de voet volgen of kiezen voor het hersenloze vermaak van de talkshow van Jerry Springer. Pootoogook wil er maar mee zeggen dat de Tv tegenwoordig ook bij de Inuit overuren draait. Westerse invloeden sijpelen meer en meer door. Door de naieve, kinderlijke tekenstijl, die dicht tegen de illustratie aan ligt, en dus direct gerelateerd is aan de pop cultuur, en de vrolijke potloodkleurtjes ziet het er allemaal vrij onschuldig uit, maar vergis je niet, veel van Pootoogooks tekeningen gaan over verveling, alcoholisme, drugsverslaving, werkloosheid, verkrachting, depressie en zelfmoord. Problemen die voortvloeien uit een schrijnend gebrek aan scholing, banen en perspectief. De kunstenares brengt met haar tekeningen een door de media genegeerd drama in beeld. Dat van de jongste generatie Inuit. De ellende raakt Pootoogook soms ook persoonlijk. Bijvoorbeeld als ze laat zien hoe haar ouders worstelen met een alcoholverslaving, en hoe haar ex-partner haar fysiek mishandelt. Zonder schroom gooit de kunstenares alles op tafel. Alle ellende wordt publiek gemaakt. Annie Pootoogook lijkt het als geen ander te beseffen; we leven in de tijd van Big Brother, een tijd waarin het publiek graag door het sleutelgat mee gluurt de woning in. In zo´n maatschappij is geen ruimte voor privacy.
“Thank you for your message. Unfortunately Annie is not available for interviews. Should you have any specific questions regarding her work, we would be pleased to address them”. Tot zover dan de poging om de Canadese Inuit kunstenaar Annie Pootoogook via een Q en A te interviewen over haar prachtige
tekeningen waarin ze de native cultuur in beeld brengt. Pootoogook, in 1969 geboren en nog altijd woonachtig in Cape Dorset – wat wel The Capital of Inuit Art wordt genoemd- , een nederzetting op een van de Arctische eilanden in het uiterste noorden van Canada, maakt de laatste jaren snel furore als kunstenaar. Niet alleen in Canada, maar ook in Amerika en Europa, waar ze in 2007 bijvoorbeeld schitterde op de Documenta XII in Kassel (Duitsland). De kunstenares heeft het tekentalent bepaald niet van een vreemde. Haar moeder Napachie is in Canada een gerespecteerd grafisch kunstenaar, vader is beeldhouwer, en overgrootmoeder Pitseolak Ashoona was een van de eersten die experimenteerde met het medium tekenen. Net als moeder en grootmoeder, is Annie een chroniqueur van het dagelijks leven. Ze tekent op wat ze ziet. Maar terwijl haar familie zich beperkt tot traditionele Inuit onderwerpen als het gezamenlijk eten of het bewerken van zeehonden huiden, gaat Annie een stap verder. Ze laat zien dat het beeld dat wij in het Westen van de Inuit (letterlijk vertaalt: de Mens) hebben, dat van een vreedzaam volk dat leeft in harmonie met de natuur en weinig mee krijgt van de drukke buitenwereld, behoorlijk achterhaald is. De Inuit heeft zijn nomadenbestaan al lang ingeruild voor een vaste woning. Hij is niet meer afhankelijk van de seizoensgebonden visvangst en jacht, maar werkt bijvoorbeeld in de fabriek of de winkel. In Pootoogooks tekeningen zie je hoe kinderen spelletjes spelen op de Super Nintendo of kijken naar een aflevering van Scooby Doo, terwijl volwassenen de oorlog in Irak op de voet volgen of kiezen voor het hersenloze vermaak van de talkshow van Jerry Springer. Pootoogook wil er maar mee zeggen dat de Tv tegenwoordig ook bij de Inuit overuren draait. Westerse invloeden sijpelen meer en meer door. Door de naieve, kinderlijke tekenstijl, die dicht tegen de illustratie aan ligt, en dus direct gerelateerd is aan de pop cultuur, en de vrolijke potloodkleurtjes ziet het er allemaal vrij onschuldig uit, maar vergis je niet, veel van Pootoogooks tekeningen gaan over verveling, alcoholisme, drugsverslaving, werkloosheid, verkrachting, depressie en zelfmoord. Problemen die voortvloeien uit een schrijnend gebrek aan scholing, banen en perspectief. De kunstenares brengt met haar tekeningen een door de media genegeerd drama in beeld. Dat van de jongste generatie Inuit. De ellende raakt Pootoogook soms ook persoonlijk. Bijvoorbeeld als ze laat zien hoe haar ouders worstelen met een alcoholverslaving, en hoe haar ex-partner haar fysiek mishandelt. Zonder schroom gooit de kunstenares alles op tafel. Alle ellende wordt publiek gemaakt. Annie Pootoogook lijkt het als geen ander te beseffen; we leven in de tijd van Big Brother, een tijd waarin het publiek graag door het sleutelgat mee gluurt de woning in. In zo´n maatschappij is geen ruimte voor privacy.
dinsdag 25 augustus 2009
Mierzoete, barokke schilderijen voorzien van knallende fluorescerende kleurtjes waarbij de verf er duimendik bovenop wordt gesmeerd of virtuoze doeken waarvan het schilderplezier af spat. Weelderige kitsch geïnspireerd door popmuziek, videoclip,s strips, religie en reclame of zinnenprikkelende voorstellingen die met veel durf en energie zijn geschilderd.
De discussie over de kwaliteit van zijn werk achtervolgt schilder Gé-Karel van der Sterren (Stadskanaal, 1969) eigenlijk al sinds hij in 1995 afstudeerde aan de Academie voor Beeldende Kunst, Enschede (A.K.I.). Van der Sterren, die nu speciaal voor de projectzaal van het Gemeentemuseum in Den Haag een wandvullend schilderij van 14 bij 3 meter maakte over de vrije wereldhandel, tart met zijn zuurstokkleurtjes en zwijmelromantiek niet alleen de goede smaak, maar heeft ook een boodschap. Eentje die veel wranger is dan de kleurenpracht doet vermoeden. De kunstenaar richt zijn pijlen vooral op onze consumptiedrang en het hedonisme van de postindustriële geglobaliseerde maatschappij.
Je ziet winkelwagentjes ten onder gaan in een zee van verf en jongens gluren naar de buurvrouw. Op zichzelf vrij onschuldige scènes, maar natuurlijk zinspelen ze ook op de gulzigheid van de mens, en het gebrek aan idealen. Door het uitbundige kleurgebruik, de nodige zwarte humor en de barokke invloeden maakt Van der Sterren de in zijn ogen geplastificeerde wereld zichtbaar.
Op Oopsie Daisy, dat hij speciaal voor de expositie in het Gemeentemuseum vervaardigde, zien we het interieur van een vervallen plantenkas. Aan de linkerkant zijn mannen in witte pakken bezig met iets dat lijkt op het meten van straling. Het water op de grond is verontrustend blauw, de pallets hebben de kleur van vuur. In het midden wat exotische planten. Daar rechts van nog een man in wit pak.
Volgens curator Laura Stamps zinspeelt Van der Sterren met dit doek op de belemmeringen die door nationale overheden worden opgeworpen bij het importeren van bloemen en planten. Zoals dure controles op beestjes en andere ziekten. Een soort treitermaatregelen, die ervoor zorgen dat de eigen kweek goedkoper blijft dan de geïmporteerde waar.
Van der Sterren vertaalde dit met behulp van acryl- en olieverf naar een dynamisch beeld, waarbij het licht lijkt te komen uit het schilderij zelf. Iets dat geldt voor zijn gehele oeuvre vanaf 1996.
Soms is de verf glacerend aangebracht, dan overheerst de transparantie. Op andere momenten klontert de verf samen in staven van olieverf en talk, die soms bijna 2 centimeter uit het beeld steken en sculpturale vormen aannemen.
Nooit eerder heeft Van der Sterren op zo’n groot formaat gewerkt als nu. Het gaat hem niet in alle opzichten goed af. Waren zijn eerdere composities nog goed te overzien en in balans, in dit geval buitelen de kleuren en vormen over elkaar heen. De blik van de toeschouwer schiet constant heen en weer, van detail naar detail. Je probeert overzicht te krijgen, maar slaagt daar niet in omdat een centraal punt lijkt te ontbreken. Schildertechnisch en in kleur is Oopsy Daisy beslist een lust voor het oog, en het cartooneske lijkt goeddeels te zijn verdwenen, maar in zijn totaliteit is dit beeld net iets te onrustig, en daardoor voor de toeschouwer maar moeilijk te bevatten.
Gé-Karel van der Sterren – Oopsie Daisy, t/m 11 oktober 2009, Gemeentemuseum, Den Haag. Recensie is op 21 juli 2009 verschenen in De Volkskrant.
De discussie over de kwaliteit van zijn werk achtervolgt schilder Gé-Karel van der Sterren (Stadskanaal, 1969) eigenlijk al sinds hij in 1995 afstudeerde aan de Academie voor Beeldende Kunst, Enschede (A.K.I.). Van der Sterren, die nu speciaal voor de projectzaal van het Gemeentemuseum in Den Haag een wandvullend schilderij van 14 bij 3 meter maakte over de vrije wereldhandel, tart met zijn zuurstokkleurtjes en zwijmelromantiek niet alleen de goede smaak, maar heeft ook een boodschap. Eentje die veel wranger is dan de kleurenpracht doet vermoeden. De kunstenaar richt zijn pijlen vooral op onze consumptiedrang en het hedonisme van de postindustriële geglobaliseerde maatschappij.
Je ziet winkelwagentjes ten onder gaan in een zee van verf en jongens gluren naar de buurvrouw. Op zichzelf vrij onschuldige scènes, maar natuurlijk zinspelen ze ook op de gulzigheid van de mens, en het gebrek aan idealen. Door het uitbundige kleurgebruik, de nodige zwarte humor en de barokke invloeden maakt Van der Sterren de in zijn ogen geplastificeerde wereld zichtbaar.
Op Oopsie Daisy, dat hij speciaal voor de expositie in het Gemeentemuseum vervaardigde, zien we het interieur van een vervallen plantenkas. Aan de linkerkant zijn mannen in witte pakken bezig met iets dat lijkt op het meten van straling. Het water op de grond is verontrustend blauw, de pallets hebben de kleur van vuur. In het midden wat exotische planten. Daar rechts van nog een man in wit pak.
Volgens curator Laura Stamps zinspeelt Van der Sterren met dit doek op de belemmeringen die door nationale overheden worden opgeworpen bij het importeren van bloemen en planten. Zoals dure controles op beestjes en andere ziekten. Een soort treitermaatregelen, die ervoor zorgen dat de eigen kweek goedkoper blijft dan de geïmporteerde waar.
Van der Sterren vertaalde dit met behulp van acryl- en olieverf naar een dynamisch beeld, waarbij het licht lijkt te komen uit het schilderij zelf. Iets dat geldt voor zijn gehele oeuvre vanaf 1996.
Soms is de verf glacerend aangebracht, dan overheerst de transparantie. Op andere momenten klontert de verf samen in staven van olieverf en talk, die soms bijna 2 centimeter uit het beeld steken en sculpturale vormen aannemen.
Nooit eerder heeft Van der Sterren op zo’n groot formaat gewerkt als nu. Het gaat hem niet in alle opzichten goed af. Waren zijn eerdere composities nog goed te overzien en in balans, in dit geval buitelen de kleuren en vormen over elkaar heen. De blik van de toeschouwer schiet constant heen en weer, van detail naar detail. Je probeert overzicht te krijgen, maar slaagt daar niet in omdat een centraal punt lijkt te ontbreken. Schildertechnisch en in kleur is Oopsy Daisy beslist een lust voor het oog, en het cartooneske lijkt goeddeels te zijn verdwenen, maar in zijn totaliteit is dit beeld net iets te onrustig, en daardoor voor de toeschouwer maar moeilijk te bevatten.
Gé-Karel van der Sterren – Oopsie Daisy, t/m 11 oktober 2009, Gemeentemuseum, Den Haag. Recensie is op 21 juli 2009 verschenen in De Volkskrant.
Abonneren op:
Berichten (Atom)














